Het is Dinsdag   14:21 Wij zijn geopend!

Pandrecht is een beperkt zekerheidsrecht dat, net als het recht van hypotheek, de pandhouder de bevoegdheid geeft om het onderpand in geval van verzuim van de schuldenaar openbaar te verkopen.

De notaris is betrokken bij vestiging van een pandrecht op aandelen in een BV. In het voorjaar van 2020 zijn twee uitspraken gepubliceerd die enige duidelijkheid verschaffen over de wijze waarop de pandhouder zijn rechten als pandhouder op aandelen kan uitoefenen. In dit artikel wordt ingegaan op de wijze van verpanding van aandelen en de twee uitspraken worden kort behandeld. 

Pandrecht als beperkt zekerheidsrecht 

Pandrecht is een beperkt zekerheidsrecht dat de pandhouder de bevoegdheid geeft om het onderpand in geval van verzuim van de schuldenaar openbaar te verkopen. De notaris is betrokken bij vestiging van een pandrecht op aandelen in een BV (art. 2:196 BW). Aandelen vertegenwoordigen niet alleen een economische waarde. Aan aandelen is ook vergaderrecht en (in het algemeen) stemrecht verbonden. De wet bepaalt voor de BV dat rechten die stemrecht noch aanspraak op uitkering van winst of reserves omvatten, niet als aandeel worden aangemerkt, art. 2:190 BW. 

Artikel 2:198 BW 

Een van de uitgangspunten van de BV is het besloten karakter. Dit houdt in dat in de statuten van een BV bepalingen – een blokkeringsregeling – kunnen staan waardoor derden niet zomaar aandelen kunnen krijgen (bijvoorbeeld aanbiedings- en goedkeuringsregelingen). Een aandeelhouder kan door uitoefening van deze rechten voorkomen dat een willekeurige derde in een algemene vergadering mag verschijnen en daar zelfs zou kunnen stemmen. Indien een pandhouder vergaderrechten of zelfs stemrechten verkrijgt, tast dit het besloten karakter van de vennootschap aan. Vandaar dat de wetgever in art. 2:198 BW een aantal bepalingen heeft opgenomen. 

Uitsluiten en beperken van de mogelijkheid een pandrecht te vestigen 

Art. 2:198 lid 1 BW bepaalt dat een pandrecht kan worden gevestigd, tenzij de statuten anders bepalen. Het is dus toegestaan om in de statuten de mogelijkheid van het vestigen van een pandrecht uit te sluiten of om voorwaarden aan de vestiging van een pandrecht te verbinden. Bijvoorbeeld: ‘Vestiging van een pandrecht is slechts mogelijk indien de algemene vergadering daartoe haar voorafgaande goedkeuring heeft verleend. Deze goedkeuring moet worden verleend met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen.’ Een notaris die een pandrecht wil vestigen, moet dus altijd beoordelen of een pandrecht gevestigd kan worden en welke eisen daaraan zijn verbonden.

Het stemrecht 

Indien een pandrecht gevestigd kan worden, dan kunnen, de statuten bepalingen bevatten omtrent de vergaderrechten en de stemrechten die aan een aandeel verbonden zijn. De hoofdregel van art. 2:198 lid 2 BW is dat de stemrechten toekomen aan de aandeelhouder. Krachtens art. 2:198 lid 3 BW kan het stemrecht onder voorwaarden toekomen aan de pandhouder. Deze voorwaarden hangen samen met twee hoofdkenmerken: – hoe verhoudt zich dit tot het besloten karakter van de BV; – wat hebben pandhouder en pandgever afgesproken.

Allereerst het besloten karakter. Het stemrecht kan alleen aan de pandhouder toekomen als de pandhouder behoort tot de vrije kring of als daarvoor goedkeuring is verleend door een daarvoor in de statuten aangewezen orgaan. Als aandeelhouder weet je dat aandelen kunnen worden overgedragen aan een persoon binnen de vrije kring en dat die persoon dus mogelijk toegang kan krijgen tot de algemene vergaring. Zij kunnen zonder nadere procedure stemrecht krijgen. In alle andere gevallen dient een pandhouder voor het verkrijgen van stemrecht goedkeuring van een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan te krijgen. Draagt een pandhouder met stemrecht zijn pandrecht aan een ander over, dan moet die nieuwe pandhouder ook weer goedkeuring van dit orgaan krijgen. Is in de statuten geen orgaan aangewezen, dan beslist de algemene vergadering.

Verder is van belang wat de pandhouder en de aandeelhouder zijn overeengekomen. Zij kunnen overeenkomen dat het stemrecht volgens de hoofdregel bij de aandeelhouder blijft of dat de pandhouder het stemrecht krijgt. Daarbij kunnen voorwaarden aan de overgang van het stemrecht worden gesteld. Een veel voorkomende variant is dat het stemrecht overgaat als de aandeelhouder in verzuim is en de pandhouder het stemrecht vordert. Let op, indien een fiscale eenheid bestaat tussen aandeelhouder en de vennootschap, dan wordt deze doorbroken zodra het stemrecht overgaat, art. 15 lid 1 jo lid 10 Vpb.

Het vergaderrecht

Degene die het stemrecht heeft, heeft vanzelfsprekend ook vergaderrecht. Maar wat is de positie voor diegene die het stemrecht niet heeft? Art. 2:198 lid 4 BW bepaalt dat de aandeelhouder/pandgever altijd vergaderrecht heeft. Daarnaast heeft de pandhouder het vergaderrecht indien de statuten dit bepalen en pandgever en pandhouder niet anders zijn overeengekomen. 

Executie en redelijkheid en billijkheid 

Art. 2:8 BW bepaalt als volgt: ‘Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd’. Daar hoort ook de pandhouder toe en niet alleen de pandhouder met stemrecht. Art. 2:15 BW bepaalt dat een besluit dat is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan worden vernietigd. In veel gevallen wordt een pandrecht gevestigd op aandelen van een vennootschap tot zekerheid voor de nakoming van verplichtingen van dezelfde vennootschap. Gaat de vennootschap niet over tot betaling, dan kan de pandhouder het stemrecht naar zich toe trekken om haar belangen te beschermen en indien gewenst overgaan tot verkoop van de aandelen. De pandhouder heeft in dat geval misschien meer belang bij een koper die ervoor zorgdraagt dat de vennootschap alsnog overgaat tot betaling van haar schuld dan bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst van de aandelen. 

Dit speelt in de casus waarover Hof Arnhem-Leeuwarden (25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1609) een uitspraak deed. De pandhouder wil de aandelen verkopen voor € 1,-. De aandeelhouder eist de liquidatie van de vennootschap omdat dit een fiscaal voordeel voor haar van € 4 miljoen oplevert. Het Hof oordeelt dat het de pandhouder vrij staat om te kiezen voor het in stand houden van de vennootschap met de mogelijkheid dat de vordering door de vennootschap wordt terugbetaald, ook al leveren de aandelen in executie dan maar € 1,- op. Dit is niet in strijd met redelijkheid en billijkheid. 

Verdieping Stemrecht en geschillenregeling 

De geschillenregeling (art. 2:335 e.v. BW) biedt een regeling indien een aandeelhouder zich misdraagt. De regeling kent twee varianten, de uitstootregeling die bepaalt dat de misdragende aandeelhouder zijn aandelen moet overdragen (art. 2:336 BW) en de uittredingsregeling die bepaalt dat degene wiens belangen door misdraging zijn geschaad door die ander moet worden uitgekocht, art. 2:343 BW. Als een pandhouder of vruchtgebruiker zich misdraagt, bevat art. 2:342 BW een bepaling die medeaandeelhouders de bevoegdheid geeft te vorderen dat het stemrecht op aandelen terug overgaat naar de aandeelhouder. 

In hoeverre heeft de pandhouder met stemrecht een andere positie dan een ‘gewone’ stemgerechtigde aandeelhouder? 

De Hoge Raad heeft een geschil waaraan dit aan de orde kwam op 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:588) afgedaan met een beroep op art. 81 RO. Daarmee liet de Hoge Raad de uitspraak van Hof Amsterdam (1 0 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:201 8 2380) in stand. Hof Amsterdam overwoog in deze uitspraak dat het belang van een pandhouder niet altijd parellel loopt met dat van de vennootschap. Of een pandhouder een vennootschap schade toebrengt, moet door de rechter terughoudend worden beoordeeld. Daarbij kan het zo zijn dat het vennootschappelijk belang onder omstandigheden moet wijken voor het belang van de pandhouder. Dit is voor een gewone aandeelhouder die gebruik maakt van zijn stemrecht anders. Deze dient het vennootschappelijk belang wel degelijk te laten meewegen bij het uitbrengen van zijn stem krachtens art. 2:8 BW. Al met al kan worden geconcludeerd dat een pandhouder dus een bijzondere positie heeft bij de uitoefening van zijn rechten als pandhouder. 

Pandrecht op aandelen in een BV en de bijzondere positie van de pandhouder

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Begin ruim op tijd met nadenken over bedrijfsopvolging

Bedrijfsopvolging is duidelijk geen zaak van vandaag op morgen. ‘Begin er liefst drie tot vijf jaar vóórdat het zover is over na te denken.

Testament

Hoe uw persoonlijke (en zakelijke) situatie ook is, voor iedereen is er een passend testament. Het opmaken van een testament is namelijk maatwerk.

Levenstestament

Heeft u er eigenlijk al eens over nagedacht wat er gebeurt als u zelf niet meer in staat bent beslissingen te nemen?

Aandeelhoudersovereenkomst: handig of papierwerk van juristen

Als je aandeelhouder bent in een BV, gelden er verschillende spelregels.

Een vraag over Pandrecht op aandelen in een BV en de bijzondere positie van de pandhouder?

Stel direct uw vraag.