Eigenschappen energiegemeenschappen

22 juli , 2025
27 minuten

Eigenschappen energiegemeenschappen

Wat zijn de eigenschappen van energiegemeenschappen en welke rechtspersonen beantwoorden hieraan?

1. Inleiding

Om de klimaatcrisis tegen te gaan en onze samenleving te decarboniseren hebben wij grote hoeveelheden hernieuwbare energie nodig. Het opwekken, gebruiken, opslaan en verkopen van energie uit biomassa, geothermie, water, wind en zon door lokale groepen van burgers, al dan niet in samenwerking met lokale overheden, heeft hiervoor potentieel een groot aantal voordelen. Een gedecentraliseerde energietransitie biedt de mogelijkheid financieel en bestuurlijk deel te nemen aan het opwekken van energie. Hierdoor komt meer privaat kapitaal beschikbaar voor de energietransitie en wordt het draagvlak voor hernieuwbare energieprojecten groter.1 Bovendien bevordert het gezamenlijke optrekken van burgers het ontstaan van een (hechtere) lokale gemeenschap, de lokale economische ontwikkeling door het herinvesteren van inkomsten, en het verminderen van energiearmoede door lagere energieprijzen of de uitkering van winst. Het Nederlandse energierecht werpt tot nu toe een groot aantal obstakels op voor energiegemeenschappen die de opgewekte hernieuwbare energie via publieke netten onder de leden willen verhandelen of aan derden willen verkopen. In de regel moet de energiegemeenschap hiervoor energieleverancier zijn, met alle administratieve rompslomp van dien.2 De EU-richtlijnen 2018/2001 (Hernieuwbare energie) en 2019/944 (Interne markt voor elektriciteit) beogen om de administratieve lasten voor energiegemeenschappen te verlichten, hun toegang tot de energiemarkt te vergemakkelijken en het verhandelen of ‘delen’ van energie onder de leden (onder de noemer ‘energy sharing’) toe te staan.3 De richtlijnen erkennen twee types energiegemeenschappen. De energiegemeenschappen die zich aan de definitie van deze types houden, worden met de genoemde voordelen beloond.4 EU-richtlijn 2018/2001 erkent hernieuwbare energiegemeenschappen. Hernieuwbare energiegemeenschappen kunnen zich bezighouden met de opwekking, het verbruik, het opslaan en de verkoop van zowel elektriciteit als warmte uit hernieuwbare bronnen. EU-richtlijn 2019/944 erkent de energiegemeenschap van burgers, die ook deze én gerelateerde activiteiten kunnen ontplooien, maar alleen met betrekking tot elektriciteit, waarbij het niet uitmaakt uit welke bron de elektriciteit afkomstig is.

De omzetting van deze EU-richtlijnen in het Nederlandse recht geschiedt voornamelijk door middel van de Energiewet. Zowel de EU-richtlijnen als de Energiewet definiëren energiegemeenschappen als ‘juridische entiteit’.5 Hierdoor rijst voor burgers en lokale overheden de vraag welke (combinaties van) rechtspersonen beantwoorden aan de eigenschappen van energiegemeenschappen, want alleen dan kunnen de energiegemeenschappen ook de voordelen van de richtlijnen en de Energiewet genieten.
Deze bijdrage geeft eerst een globaal overzicht van de eigenschappen van energiegemeenschappen volgens de EU-richtlijnen en de Energiewet (par. 2). Kort wordt dan ingegaan op de vraag of de EU-richtlijnen ook combinaties van rechtspersonen toelaten (par. 3). Vervolgens wordt een aantal (combinaties van) rechtspersonen geïntroduceerd dat potentieel geschikt kan zijn voor energiegemeenschappen (par. 4). De bijdrage toetst deze rechtspersonen vervolgens aan de eigenschappen van energiegemeenschappen en wijst mogelijke knelpunten aan (par. 5 t/m 10). Paragraaf 11 bevat de conclusie.

2. De eigenschappen van energiegemeenschappen

EU-richtlijn 2019/944 erkent energiegemeenschappen van burgers. Dit zijn juridische entiteiten die aan de volgende eisen voldoen:6

  • het hoofddoel is het bieden van milieu-, economische of sociale gemeenschapsvoordelen voor de leden of aandeelhouders dan wel het plaatselijke gebied waar de gemeenschap werkzaam is;
  • openheid voor toetreding op grond van niet-arbitraire en niet-discriminatoire criteria;
  • vrijwilligheid van lidmaatschap of aandeelhouderschap; en
  • de feitelijke zeggenschap wordt uitgeoefend door burgers, lokale overheden en kleine ondernemingen.

EU-richtlijn 2018/2001 erkent hernieuwbare energiegemeenschappen. Deze juridische entiteiten moeten ten opzichte van de energiegemeenschap van burgers aan een aantal toegevoegde eigenschappen beantwoorden:7

  • lidmaatschap of aandeelhouderschap staat alleen open voor burgers, middelgrote en kleine ondernemingen, en lokale overheden;
  • de daadwerkelijke controle wordt uitgeoefend door leden of aandeelhouders die zijn gevestigd in de nabijheid van de hernieuwbare energieprojecten die in eigendom zijn van en ontwikkeld zijn door die juridische entiteit; en
  • autonomie.

Daarnaast verplicht de EU-richtlijn 2018/2001 de lidstaten om ervoor te zorgen dat hernieuwbare-energiegemeenschappen toegankelijk zijn voor huishoudens met een laag inkomen en kwetsbare huishoudens.8 Aangezien de richtlijn hieraan geen concrete eisen verbindt, blijft dit vereiste buiten beschouwing.
De Energiewet zet de richtlijnen in Nederlands recht om. Art. 1.1 geeft een definitie voor alle energiegemeenschappen. Een energiegemeenschap is een:

“(…) juridische entiteit die ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders activiteiten op de energiemarkt verricht en als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is, en niet is gericht op het maken van winst; (…).”

Art. 2.5 stelt – over het algemeen in overeenstemming met de richtlijnen – nadere voorwaarden voor energiegemeenschappen in het algemeen:

  • de statuten dienen te bepalen dat deelname open en vrijwillig is;
  • de statuten dienen het recht te waarborgen om de energiegemeenschap te verlaten; en
  • de feitelijke zeggenschap dient te berusten bij leden die natuurlijke personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen of lokale autoriteiten zijn.

Wat opvalt is dat middelgrote ondernemingen die volgens EU-richtlijn 2018/2001 wél daadwerkelijke controle mogen uitoefenen over hernieuwbare energiegemeenschappen, in Nederlandse energiegemeenschappen van feitelijke zeggenschap zijn uitgesloten. Dit lijkt geen inbreuk te maken op de EU-regels over de omzetting van minimumharmonisatierichtlijnen9, omdat het doel van de beperking van de feitelijke zeggenschap is om misbruik van energiegemeenschappen door invloedrijke entiteiten te voorkomen en de uitsluiting van middelgrote ondernemingen met dit doel strookt.10 Bovenop de algemene definitie zijn extra vereisten van toepassing op energiegemeenschappen die hernieuwbare energieprojecten ontwikkelen, het Nederlandse equivalent van de hernieuwbare energiegemeenschap:

  • de feitelijke zeggenschap dient te berusten bij leden die in de nabije omgeving van de hernieuwbare energieprojecten zijn gevestigd; en
  • uitsluitend natuurlijke personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgrote ondernemingen en lokale autoriteiten mogen lid zijn van een energiegemeenschap die hernieuwbare energieprojecten ontwikkelt.

In de Energiewet is niet het autonomie-vereiste opgenomen dat in EU-richtlijn 2018/2001 te vinden is.11 Door richtlijnconforme interpretatie zal dit vereiste echter alsnog zijn ingang vinden in het Nederlandse recht.12

Ten slotte zij nog gewezen op energiegemeenschappen die warmtenetten willen exploiteren en daarom door Richtlijn 2018/2001 worden bestreken. Het wetsvoorstel van de Wet collectieve warmte definieert de warmtegemeenschap helemaal in lijn met deze richtlijn. Art. 1 stelt de volgende eisen:

“rechtspersoon of personenvennootschap die:
a. ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders actief is als warmtebedrijf;
b. als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is;
c. niet is gericht op het maken van winst, en
d. gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron; (…).”

Art. 2.3 lid 3 van het wetsvoorstel stelt nog nadere eisen aan de warmtegemeenschap:

“Een warmtegemeenschap borgt in haar statuten, of, in geval van een personenvennootschap in een overeenkomst, ten minste dat:
a. de leden, vennoten of aandeelhouders uitsluitend natuurlijke personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgrote ondernemingen of lokale openbare lichamen zijn;
b. de participatie in de warmtegemeenschap open en vrijwillig is;
c. de leden, vennoten, of aandeelhouders het recht hebben de warmtegemeenschap te verlaten;
d. de feitelijke zeggenschap over de warmtegemeenschap is gelegen bij de leden, vennoten of aandeelhouders van de rechtspersoon die in de nabije omgeving van de collectieve warmtevoorziening, die in eigendom is van en ontwikkeld is door de warmtegemeenschap, zijn gevestigd.”

Art. 2.2 lid 1 aanhef en sub c jo. art. 2.5 lid 1 van het wetsvoorstel maakt duidelijk dat ook warmtegemeenschappen aangewezen kunnen worden als warmtebedrijf.
De genoemde vereisten worden in paragrafen 5 t/m 10 nader uiteengezet en toegepast op de in par. 4 geschetste (combinaties van) rechtspersonen om mogelijke knelpunten aan te wijzen.

3. Rechtspersonen en combinaties van rechtspersonen voor energiegemeenschappen

Energiegemeenschappen zijn juridische entiteiten. De EU-wetgever geeft de lidstaten speelruimte om zelf te bepalen welke rechtsvormen bij energiegemeenschappen in de nationale context passen.13 De enige twee voorwaarden zijn dat de rechtsvorm voldoet aan de eigenschappen van energiegemeenschappen en dat de juridische entiteit zelf kan handelen, rechten kan uitoefenen en het subject van verplichtingen kan zijn.14 De Nederlandse wetgever wil juridische entiteiten niet beperken tot rechtspersonen, maar ook personenvennootschappen die geen rechtspersoonlijkheid hebben, horen tot de mogelijke juridische entiteiten.15
In Nederland is het gebruikelijk om ondernemingen te structureren rondom verschillende rechtspersonen en andere juridische entiteiten. Er worden maar weinig bedrijven in een besloten of naamloze vennootschap uitgeoefend waarbij alle aandelen direct gehouden worden door de betrokken aandeelhouders en zonder dat er deelnemingen in andere vennootschappen worden gehouden. Dit heeft alles te maken met risicoafscherming, financieringsmogelijkheden, boekhoudkundige inrichting en fiscale optimalisatie alsmede de overdraagbaarheid van de energieproductie-installatie.16 Ook in de energietransitie wordt gebruik gemaakt van diverse rechtsvormen die worden gecombineerd om een geoptimaliseerde structuur te realiseren. In veel gevallen wordt een veelvoud van rechtsvormen gebruikt om de structuur op alle punten te optimaliseren.17
Zowel in de toelichting van de Energiewet als in het initiële wetsvoorstel van de Wet collectieve warmte wordt geen aandacht besteed aan een combinatie van rechtsvormen. Een nota van wijziging bij de Wet collectieve warmte erkent warmtebedrijven waarin een warmtegemeenschap via een of meer rechtspersonen alle aandelen houdt.18 Dit laat zien dat de goederenrechtelijke eigendom en exploitatie van de hernieuwbare energie-installatie bijvoorbeeld mag berusten bij een bv waarin een coöperatie alle aandelen houdt. Zolang de energie- of warmtegemeenschap voor het overige aan alle voorwaarden van de EU-richtlijnen en de Nederlandse wet voldoet, is er dus nog steeds sprake van een energie- of warmtegemeenschap.
Dit is echter niet de enige mogelijkheid. De EU-richtlijnen geven de lidstaten veel vrijheid om verschillende juridische entiteiten voor energiegemeenschappen toe te laten.19 Verder zijn de EU-richtlijnen niet met het oog op het nationale privaatrecht opgesteld, maar horen zij bij het EU-recht. Daarin gebezigde begrippen moeten autonoom worden uitgelegd, zonder aan privaatrechtelijke categorieën te zijn gebonden.20 Dit betekent concreet dat je de hele structuur van rechtsvormen in ogenschouw moet nemen en door de privaatrechtelijke afscheiding tussen de rechtsvormen heen moet kijken. De hele structuur moet aan de eigenschappen van een energiegemeenschap voldoen; als één deel niet aan de eigenschappen voldoet, dan staat dat niet in de weg aan de kwalificatie van het geheel als energiegemeenschap. Dit betekent voor de wetgeving en wetstoepassing in Nederland dat de te gebruiken structuren niet zomaar kunnen worden beperkt; een beperking moet verband houden met de in de richtlijnen vastgelegde eigenschappen van energie- en warmtegemeenschappen.

4. Structuren van energiegemeenschappen

Er zijn verschillende mogelijkheden om de juridische entiteit als een combinatie van rechtspersonen vorm te geven. De volgende constructie met opties tot uitbreiding bestaat uit bv’s, coöperaties en stichtingen. Zij is gebaseerd op de ervaringen van de auteurs in de praktijk.

De bv als exploitant: voor- en nadelen

In structuren waarbij een financiering nodig is, stellen wij doorgaans een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv) voor. De duurzame installatie kan namelijk worden beschouwd als een project, waarvoor projectfinanciering nodig is. Na de realisatie is het niet de bedoeling om de duurzame installatie te vervreemden maar om deze te exploiteren. Tegenover de financieringskosten van de bv staan ook activa. Na realisatie is de duurzame installatie eigendom van de bv. In de bv zitten naast de eigendom van de installatie onder andere ook alle vergunningen, projectrechten, contracten en subsidies.
De bv biedt met name voordelen voor de financiering. Een financier wil de mogelijkheid hebben om als het project misgaat, het hele project, met alle activa, aan een derde te verkopen. Derhalve is het noodzakelijk om het project met alle rechten en plichten in een eenvoudig overdraagbare entiteit te plaatsen. Daarvoor is de bv uitstekend geschikt. Door de overdracht van aandelen in de bv gaan ook alle rechten en plichten die samenhangen met het project, indirect over op de koper van de aandelen. Er kan zekerheid worden verstrekt aan de financier door middel van een pandrecht op de aandelen. Bij verzuim kan worden bedongen dat het stemrecht op de aandelen aan de financier toekomt zodat deze een bestuurder kan benoemen of ontslaan en kan onderhandelen over de wijze waarop het project voortgang kan vinden, inclusief over de overdracht van alle of een gedeelte van de activa. Verder moet de bv meestal nog zekerheidsrechten vestigen op alle activa van de bv zelf. Dit alles biedt optimale bescherming voor de financier door zekerheidsrechten op het gehele project. Hij hoeft niet allerlei rechten afzonderlijk uit te winnen; hij kan dat echter wel. Indien gewenst kan hij direct de controle overnemen. Vaak bedingt de financier ook allerlei instapovereenkomsten om de contracten aan een derde te kunnen overdragen. Het voordeel van veel zekerheid voor het project is dat het project eenvoudiger en tegen lagere kosten financierbaar wordt. Het nadeel van de bv is wel dat voor elke nieuwe deelnemer aandelen moeten worden overgedragen. Aangezien voor een aandelenoverdracht een notariële akte is vereist,21 is elke mutatie relatief kostbaar. De wetgever geeft de financieringsmogelijkheden ook als nadrukkelijke reden voor de toelating van constructies met bv’s, in de in par. 3 besproken nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet collectieve warmte.22

De coöperatie: bestuur en besluitvorming

Anders dan de bv, waarbij het aantal stemmen afhangt van het verschafte kapitaal,23 past de coöperatie met het uitgangspunt ‘één lid, één stem’ goed bij het democratische karakter van energiegemeenschappen.24 De coöperatie kan bovendien het genoemde nadeel van de bv ondervangen. Toe- en uittreden geschiedt zonder notariële tussenkomst. Regelmatige mutaties zijn eenvoudig en zonder grote kosten mogelijk. Waar de bv voordelen heeft, heeft de coöperatie daarentegen juist nadelen. Het vervreemden van alle lidmaatschapsrechten aan een derde is lastiger omdat alle leden dan moeten meewerken. Indien de lidmaatschapsrechten kunnen worden verpand25 en ook zijn verpand, moet bij elke toetreding van het lid waarbij een nieuw lidmaatschapsrecht wordt gecreëerd, een nieuw pandrecht worden gevestigd voor de financier. Dit kwalificeert vervolgens als een pandrecht voor een schuld van een derde – de coöperatie – met alle problemen van dien.
Tegen deze achtergrond wordt dikwijls gekozen voor een combinatie van een bv met een coöperatie als enig aandeelhouder. Alle economische opbrengsten en zeggenschapsrechten in verband met de aandelen berusten, totdat er een tekortkoming is in de betaling van de financiering, bij de coöperatie. De aandelen worden eenmalig verpand ten behoeve van de financier. Ook verstrekt de bv eenmalig de overeengekomen zekerheden.

Indien we ervan uitgaan dat de coöperatie zo is ingericht dat zij aan de vereisten van een energiegemeenschap voldoet, kwalificeert de totale structuur, bv met coöperatie, als energiegemeenschap.


Structuurtekening 1:
Coöperatie met B.V. (eigen ontwerp)

Participatie van overheden

Een bijkomend voordeel is dat als ook publiekrechtelijke lichamen, zoals een gemeente, willen participeren, de overheid eenvoudig kan meedoen in het aandelenkapitaal van de bv. De coöperatie participeert dan samen met een publiekrechtelijk lichaam in de bv. Dit onderdeel van de constructie geeft bovendien de ruimte voor een afgewogen regeling tussen de bewoners via de coöperatie en het publiekrechtelijke lichaam, met betrekking tot met name zeggenschap en economisch belang. Bij problemen van financiële of organisatorische aard kan het publiekrechtelijke lichaam door een eenvoudige overdracht van aandelen ook de zeggenschap en het economisch belang naar zich toe trekken of juist aan de coöperatie overlaten.


Structuurtekening 2: Coöperatie en gemeente met B.V. 

Complexere contexten kunnen leiden tot uitbreiding

De context waarin de energiegemeenschap ontstaat, kan aanleiding zijn om af te zien van een eenvoudige constructie met één coöperatie en één bv. Participeren meer wijken in hetzelfde project of dezelfde energiegemeenschap, kan het zinvol zijn, bijvoorbeeld met het oog op de grootte van de organisatie of de verhoudingen tussen de wijken, om meerdere coöperaties op te richten. Risicoafscherming kan ook nopen tot een complexere structuur. In de bv worden vaak complexe projecten vormgegeven ten aanzien van warmte of elektriciteit. Deze bv maakt weer gebruik van de benodigde infrastructuur. Uit een risicoanalyse kan blijken dat het zinvol is om de infrastructuur in een holding-bv te plaatsen en de uitoefening van de duurzame activiteiten te laten plaatsvinden in een 100%-dochtervennootschap. Het recentelijk ingevoegde art. 2.2 lid 1 sub d van het wetsvoorstel Wet collectieve warmte voorziet expliciet in het gebruik van een constructie met meerdere bv’s.


Wijkcoöperaties en gemeente met holding-B.V. en werk-B.V.

Rol van de stichting

Een stichting kan worden toegevoegd aan deze constructie. Op het eerste gezicht is dit merkwaardig. Een stichting staat bekend als een autoritaire rechtsvorm en juist niet als een democratisch instituut, terwijl de energiegemeenschap een democratisch karakter dient te hebben. Toch kan dit ook via de stichting worden vormgegeven. Indien in de statuten van de stichting staat dat alle bestuurders van de stichting worden benoemd of ontslagen door een of meer coöperaties en/of een lokale overheid, dan kan de hele combinatie van stichting en coöperatie voldoen aan de eisen van een energiegemeenschap. Als de stichting vervolgens alle aandelen in een (holding-)bv houdt, dan kan het geheel nog steeds als energiegemeenschap kwalificeren.
De stichting heeft een aantal functies in de constructie dat de andere rechtspersonen niet of minder goed kunnen vervullen:26

  1. Fiscaliteit: Met een stichting kan een heffing van vennootschapsbelasting over specifieke subsidies worden voorkomen.
  2. Bewaring van het project voor toekomstige bewoners: indien de coöperatie besluit tot verkoop van haar aandelen in de bv, kan zij de koopprijs vrijelijk uitkeren aan haar leden. Daarmee is het project te gelde gemaakt en profiteren de leden op het moment van de uitkering, niet de eerdere bewoners van de buurt en ook niet de latere bewoners. Aangezien de energiegemeenschap ook is bedoeld voor de toekomstige bewoners van de buurt, moet dit scenario worden voorkomen. Een stichting kan de aandelen ook verkopen, maar moet de opbrengst aanwenden overeenkomstig het doel van de stichting. Als het doel is om ook de toekomstige bewoners te dienen, dan dient de opbrengst ook voor hen te worden aangewend. Hiermee creëert de stichting een slot op het vermogen; een verkoop wordt onaantrekkelijk(er) en het project wordt bewaard voor toekomstige bewoners zolang het economisch zinvol is. Aangezien dit vermogen vaak (mede) is gevormd met subsidies, voorkom je hiermee ook dat subsidiegelden wegvloeien naar een groep specifieke buurtbewoners.

De governance van het geheel blijft ondertussen flexibel. De verhoudingen tussen publiekrechtelijke lichamen en de coöperatie kunnen door een eenvoudige wijziging van de statuten van de stichting worden aangepast. Indien later wordt besloten tot een uitbreiding van het gebied of een installatie, kan een coöperatie worden toegevoegd die meebeslist over het bestuur, zodat het democratische gehalte wordt gewaarborgd.


Wijkcoöperaties en gemeente met
stichting en B.V.

5. De doelen van de energiegemeenschap

Volgens de richtlijnen en de Energiewet moet financiële winst niet het hoofddoel zijn van energiegemeenschappen. Het hoofddoel is het behalen van milieu-, economische of sociale gemeenschapsvoordelen.27 Deze regel sluit voornamelijk bedrijven die gericht zijn op het maken van winst voor aandeelhouders, uit van de voordelen van de richtlijnen. Het is nog steeds toegestaan om winst te maken, maar deze winst moet grotendeels worden herinvesteerd.28 Dit staat niet in de weg aan dividenduitkeringen als leden op geen andere manier, bijvoorbeeld door ‘energy sharing’, een bescheiden maar gepast rendement kunnen krijgen.

Dit vereiste lijkt geen complicatie teweeg te brengen voor de voorgestelde constructies. In de statuten van alle rechtspersonen moet duidelijk worden aangegeven dat het hoofddoel een milieu-, economisch of sociaal gemeenschapsvoordeel is. Idealiter bepalen de statuten dat een bepaald deel van de winst herinvesteerd dient te worden en uitkeringen tot een gepast rendement beperkt moeten blijven als de winst niet op een andere manier over de leden kan worden verdeeld, bijvoorbeeld door de verlaging van de tarieven voor de warmtelevering. Formeel wordt er geen winst uitgekeerd, maar door verlaging van de tarieven komt het rendement wel aan de afnemers, de leden van de coöperaties, ten goede. Dit voorkomt overigens ook omzetbelasting en winstbelastingen in de VpB en de IB.29

6. Openheid

De EU-richtlijnen en de Energiewet eisen van energiegemeenschappen dat deelname aan de energiegemeenschap open is.30 Open deelname betekent dat niemand van het lidmaatschap mag worden uitgesloten op arbitraire of discriminatoire gronden.31 Alleen een open energiegemeenschap kan een inclusief bestuur en breed draagvlak voor de energietransitie bevorderen.32 Voor lokale initiatieven kan het echter belangrijk zijn om burgers, ondernemingen en overheden van buiten de lokale gemeenschap te weren. Aangezien de EU-richtlijnen beogen om deelname op het plaatselijke niveau te bevorderen,33 zoals ook het vereiste van nabijheid onder de richtlijn 2018/2001 laat zien, laten de richtlijnen het toe dat energiegemeenschappen mensen weren die geen voldoende verbinding hebben met de plaats.34 Vestigings- of woonplaats is dus geen arbitrair of discriminatoir criterium. Te vergaande openheid kan botsen met initiatieven van onderaf in de energiesector. Als invloedrijke bedrijven of overheden lid worden van een energiegemeenschap, dan kunnen zij, bewust of onbewust, de besluitvorming van de energiegemeenschap domineren en zodoende de legitimiteit van de energiegemeenschap als door burgers gedreven organisatie ondermijnen.35 Terwijl dit voor de richtlijn 2019/944 alleen aanleiding is om energiebedrijven, middelgrote en grote ondernemingen, en niet-lokale overheden van de feitelijke zeggenschap van de energiegemeenschap van burgers uit te sluiten,36 sluit de richtlijn 2018/2001 energiebedrijven, grote ondernemingen en niet-lokale overheden uit van het lidmaatschap in hernieuwbare energiegemeenschappen.37 De Energiewet doet dit voor energiegemeenschappen die hernieuwbare energieprojecten ontwikkelen.38 Deze uitsluiting van grote bedrijven, energiebedrijven en niet-lokale overheden kan aan vruchtbare samenwerking in de weg staan.39
Voor de voorgestelde (combinaties van) rechtspersonen brengt het vereiste van openheid met zich dat de statuten van de coöperatie(s) openheid als beginsel voor het toekennen van lidmaatschap of aandelen opnemen, niet-arbitraire en niet-discriminatoire criteria voor de toelating vastleggen en uitgesloten entiteiten aanwijzen. Om de nodige expertise voor het ontwikkelen van de energiegemeenschap te verkrijgen, kan het desondanks zinvol zijn om andere vormen van samenwerking met de uitgesloten entiteiten te ontplooien,40 bijvoorbeeld het aanstellen van experts van energiebedrijven als bestuurders. Aangezien de coöperatie de openheid van de energiegemeenschap waarborgt, hoeven de andere rechtspersonen niet open te zijn.

7. Vrijwilligheid en het recht om de gemeenschap te verlaten

Beide EU-richtlijnen eisen dat deelname aan energiegemeenschappen vrijwillig is.41 Dit betekent voornamelijk dat niemand gedwongen kan worden om lid te worden, ook al zijn prikkels, zoals subsidies, toegestaan.42 Terwijl de richtlijnen expliciet het recht van leden vastleggen om geen energie af te nemen van hun energiegemeenschap,43 laten zij de opzegging van het lidmaatschap onbesproken.44 Vrijwillige deelname moet echter altijd het recht inhouden om niet deel te nemen en dus het lidmaatschap op te zeggen.45 Ook de Energiewet legt dit recht om de energiegemeenschap te verlaten vast.46
Het recht om de energiegemeenschap te verlaten vertaalt zich bijvoorbeeld naar een recht om het lidmaatschap of de aandelen over te dragen dan wel op te zeggen. Van de voorgestelde constructies is de overdracht of opzegging alleen relevant voor de coöperatie. De overdracht van het lidmaatschapsrecht/aandeel in een coöperatie is mogelijk als de statuten dit toelaten.47 Een opzegging van het lidmaatschap is ook mogelijk.
Het wettelijke uitgangspunt is een opzegtermijn van vier weken voor opzegging tegen het eind van het boekjaar.48 Hiervan kunnen de statuten afwijken, maar een opzegging is in ieder geval mogelijk tegen het eind van het boekjaar dat volgt op dat waarin wordt opgezegd. Om de vrijwilligheid te garanderen is in principe een opzegtermijn van maximaal één jaar toegestaan.49

8. Feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke controle

Energiegemeenschappen van burgers zijn juridische entiteiten “waarover leden of aandeelhouders, die natuurlijke personen, lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, of kleine ondernemingen zijn, feitelijke zeggenschap hebben; […]”.50 Energiebedrijven, middelgrote en grote ondernemingen, en niet-lokale overheden51 worden dus uitgesloten van de feitelijke zeggenschap. De Energiewet sluit bovendien middelgrote ondernemingen uit.52 Hernieuwbare energiegemeenschappen moeten daadwerkelijk worden gecontroleerd door leden en aandeelhouders die gevestigd zijn in de nabijheid van de hernieuwbare energieprojecten die in eigendom zijn van en ontwikkeld zijn door de energiegemeenschap.53

Aangezien energiebedrijven, grote ondernemingen en niet-lokale overheden geen leden kunnen zijn, kunnen zij de hernieuwbare energiegemeenschap evenmin daadwerkelijk controleren. Feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke controle hebben dezelfde inhoud omdat in de Engelse versie van beide EU-richtlijnen de uitdrukking ‘effective control’ wordt gebruikt. Zoals het gewijzigde wetsvoorstel Wet collectieve warmte laat zien,54 is het trouwens geen obstakel als een door de leden gecontroleerde bv eigenaar en exploitant is van het energieproject.

8.1 Inhoud van ‘effective control’

Feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke controle houden in dat niet-lokale overheden en ondernemingen van een bepaalde soort of grootte geen doorslaggevende beslissingsbevoegdheden mogen hebben.55 Om de nodige expertise voor het ontwikkelen van de energiegemeenschap te verkrijgen, kan het desondanks zinvol zijn om andere vormen van samenwerking met de uitgesloten entiteiten te ontplooien,40 bijvoorbeeld het aanstellen van experts van energiebedrijven als bestuurders. Aangezien de coöperatie de openheid van de energiegemeenschap waarborgt, hoeven de andere rechtspersonen niet open te zijn. Richtlijn 2019/944 definieert zeggenschap als beslissende invloed over de activiteiten van een onderneming, in het bijzonder over de samenstelling van de organen van de onderneming.56 Het doel hiervan is om het misbruik van energiegemeenschappen door commerciële belangen te voorkomen en om te verzekeren dat zoveel mogelijk mensen kunnen deelnemen aan de besluitvorming.57
De gegeven definities moeten nader worden ingevuld. Lowitzsch kiest voor een formele benadering tot feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke controle. Deze benadering richt zich op een meerderheidsaandeel in de eigendom van de energiegemeenschap en een meerderheid van stemmen in de vergadering van leden of aandeelhouders voor de groepen die feitelijke zeggenschap mogen uitoefenen. Concreet betekent dit dat natuurlijke personen, lokale overheden en ondernemingen van een bepaalde grootte 50%+1 stem moeten hebben in die vergadering, maar niet per se binnen het bestuur van de rechtspersoon.58 Het beginsel van ‘één lid, één stem’, het uitgangspunt binnen coöperaties,59 is niet vereist voor daadwerkelijke controle, maar helpt deze groepen de nodige meerderheid te verkrijgen.
Aan de andere kant slaagt deze benadering niet erin om direct en democratisch bestuur en besluitvorming door de leden te bevorderen.60 Deze benadering kan het theoretisch toelaten dat energiegemeenschappen op beursvennootschappen gaan lijken waarin ‘controle’ en ‘eigendom’ uit elkaar vallen.61 Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de leden geen of nauwelijks invloed hebben op de samenstelling van het bestuur. In dit soort gevallen lijkt de formele benadering volstrekt ongepast omdat leden niet eens meer indirecte controle kunnen uitoefenen over de samenstelling van het bestuur en worden gedegradeerd tot passieve investeerders.
Daadwerkelijke controle moet meer inhouden dan de meerderheid van stemmen die over de uitkering van winst beslist,62 aangezien de richtlijnen beogen om de democratische controle over de energiegemeenschappen te waarborgen en het winstoogmerk uit te bannen. Daadwerkelijke controle vereist daarom tenminste indirecte invloed op het handelen van de energiegemeenschap, bijvoorbeeld door verkiezingen voor het bestuur. Deze interpretatie zou ook stroken met de richtlijn over de Europese ondernemingsraad, die ‘overheersende invloed’ onder andere definieert als het recht om de helft van het bestuur te benoemen.63 Entiteiten waarin leden of hun gekozen vertegenwoordigers uitgesloten zijn van de benoeming van een meerderheid van de bestuurders, kunnen niet als energiegemeenschappen worden gekwalificeerd.
Aan deze formele benadering moet nog een element worden toegevoegd. Het uitsluitend centraal stellen van de stemverhoudingen in de ledenvergadering strookt niet met definitie van zeggenschap in richtlijn 2019/944.64 Volgens deze richtlijn betekent zeggenschap beslissende invloed over de activiteiten van een onderneming, in het bijzonder over de samenstelling van de organen van de onderneming. Indien het bestuur beslissingen neemt over belangrijke investeringen, moet rekening worden gehouden met zijn daadwerkelijke samenstelling. Als een meerderheid van bestuurders banden heeft met entiteiten die geen feitelijke zeggenschap mogen uitoefenen, bijvoorbeeld met energiebedrijven via arbeidsovereenkomsten, dan kunnen deze banden de feitelijke zeggenschap van uitgesloten entiteiten aantonen en de kwalificatie als energiegemeenschap uitsluiten.
Roberts kiest voor een andere benadering. Hij kent meer gewicht toe aan de invloed van de leden dan Lowitzsch. Hij stelt voor dat daadwerkelijke controle doorslaggevende invloed op het dagelijkse bestuur inhoudt.65 Deze benadering strookt met het lokale en democratische karakter van de ideale energiegemeenschap.66 Een dergelijke interpretatie zou echter nooit eerder zijn gehanteerd in EU-wetgeving over rechtspersonen, moeilijk uit te voeren zijn en onwenselijke gevolgen hebben. Veel bestaande energiecoöperaties die worden bestuurd door door leden benoemde bestuurders,67 zouden worden uitgesloten van het begrip energiegemeenschap. Bovendien zouden groei en professionalisering worden ontmoedigd.

8.2 Toepassing op de constructies

Als de benadering van Roberts zou worden toegepast op de onderzochte constructies, dan zouden alle constructies waarin de projecten worden vormgegeven en beheerd door een andere rechtspersoon dan de coöperatie, automatisch afvallen. In constructies met slechts één coöperatie, zou deze coöperatie moeten veiligstellen dat de leden genoeg invloed kunnen uitoefenen op het dagelijkse bestuur. De benadering van Lowitzsch sluit beter aan bij de hier voorgestelde constructies. Wat de coöperatie betreft, moet op twee dingen worden gelet. Ten eerste moeten de entiteiten die feitelijke zeggenschap mogen hebben, minstens 50%+1 stem in de vergadering hebben die ook de bestuurders benoemt. Verder moet een meerderheid van de bestuurders géén band hebben met entiteiten die geen feitelijke zeggenschap mogen hebben.

Bij combinaties van rechtspersonen mogen burgers, lokale verenigingen en/of lokale overheden lid van de coöperatie worden, terwijl de coöperatie het bestuur van de bv en/of de stichting benoemt. Hierbij kan de feitelijke zeggenschap van de leden in twijfel worden getrokken omdat de band tussen hun beslissingen en het daadwerkelijke handelen van de energiegemeenschap door bijvoorbeeld de bv mogelijkerwijs te ver verwijderd is. Er kunnen verschillende scenario’s worden onderscheiden. Indien het bestuur van de bv slechts het beleid van het bestuur van de coöperatie uitvoert, dan is zonder meer sprake van feitelijke zeggenschap van de leden van de coöperatie. Indien het bestuur van de stichting uitsluitend erop toeziet dat het bestuur van de coöperatie niet afwijkt van het statutaire doel van de coöperatie en de stichting, in het bijzonder het behoud van de duurzame warmte-installatie voor de huidige en toekomstige bewoners zolang dit economisch zinvol is, dan is zonder meer sprake van feitelijke zeggenschap van de leden van de coöperatie. Hoe meer bevoegdheden de bv en/of de stichting echter heeft om het handelen van de energiegemeenschap zelfstandig in te vullen, hoe meer twijfels zullen rijzen over de feitelijke zeggenschap van de leden van de coöperatie.
Immers, in het extreme geval waarin de bv en de stichting de energiegemeenschap volledig besturen, kunnen de leden van de coöperatie alleen nog bij hun bestuur erop aandringen om de bestuurders van de stichting en/of de bv te ontslaan of tot orde te roepen. Dit lijkt nauwelijks nog te stroken met de gedachte van democratisch bestuur. Ook al is nog niet uitgemaakt of de feitelijke zeggenschap in dergelijke gevallen is verzekerd, er wordt afgeraden om de bevoegdheden van het bestuur van de coöperatie meer dan noodzakelijk uit te kleden.

9. Autonomie

Hernieuwbare-energiegemeenschappen dienen autonoom te zijn volgens EU-richtlijn 2018/2001.68 Autonomie en daadwerkelijke controle/feitelijke zeggenschap houden niet hetzelfde in, maar zijn wél verwante concepten. De autonomie van hernieuwbare-energiegemeenschappen is de afwezigheid van dominantie door individuele leden, investeerders of samenwerkingspartners. Autonomie houdt in dat beslissingen onafhankelijk van elk van die entiteiten kunnen worden genomen.69

Autonomie sluit dus energiegemeenschappen uit die afhankelijk zijn van de welwillendheid van een invloedrijke entiteit, terwijl zij formeel wordt bestuurd door haar leden. Terwijl richtlijn 2019/944 autonomie niet expliciet noemt als vereiste voor energiegemeenschappen van burgers, lijkt dit vereiste ook van toepassing te zijn op dit type energiegemeenschap omdat de richtlijn ze beschrijft als burgerinitiatieven en als voortvloeiend uit de samenwerking tussen burgers en lokale actoren.70 De Energiewet noemt het vereiste van autonomie niet, maar via richtlijnconforme interpretatie geldt dit vereiste ook in het Nederlandse recht. Anders dan daadwerkelijke controle of feitelijke zeggenschap, benadrukt autonomie niet het uitsluiten van potentieel gevaarlijke rechtspersonen, maar de bescherming voor individuele leden of aandeelhouders. Ook wat dit vereiste betreft, is het belangrijk om te onderscheiden tussen eigendom en toezicht aan de ene kant en daadwerkelijke besluitvorming aan de andere. Lowitzsch stelt wederom een formele benadering voor waarin geen lid of aandeelhouder meer dan een derde van de stemmen in de vergadering mag hebben.71 Als deze grens rekening houdt met het feit dat een rechtspersoon ook controle kan uitoefenen via andere rechtspersonen of werknemers, kan hierdoor de indirecte controle van de leden of aandeelhouders over het handelen van de energiegemeenschap worden gewaarborgd. Coöperaties met het beginsel van ‘één lid, één stem’ zullen eerder autonoom zijn dan vennootschappen waarin het aantal stemmen wordt vastgesteld aan de hand van de hoogte van het verschafte kapitaal. Volgens de formele benadering is de daadwerkelijke samenstelling van het bestuur minder problematisch, tenzij een enkele entiteit het bestuur domineert. Als een gemeente of bedrijf alle belangrijke beslissingen neemt en burgers vooral investeerders zijn met recht op een dividenduitkering, dan is het energieproject niet autonoom en vormt het dus geen energiegemeenschap.
Roberts stelt wederom een andere benadering voor. Volgens hem is autonome besluitvorming ook vrij van economische en financiële druk.72 Bijvoorbeeld kan een lid van een coöperatie dat slechts één stem in de vergadering heeft, maar een groot deel van het kapitaal ter beschikking stelt, de autonomie van de coöperatie in gevaar brengen door ermee te dreigen zijn lidmaatschap op te zeggen en investering in te trekken.
Roberts stelt voor om beperkingen in te voeren op opzeggingen die het signaleerde gevaar met zich brengen en op externe bronnen van financiering, als maatregelen om autonomie te verzekeren. Deze maatregelen laten overigens zien dat autonomie mogelijkerwijs beperkingen van vrijwilligheid als vereiste voor energiegemeenschappen kan rechtvaardigen.
Voor de voorgestelde constructies brengt het vereiste van autonomie een aantal eisen met zich. Ten eerste moet één entiteit met de van haar afhankelijke entiteiten niet meer dan een derde van de stemmen hebben in de vergadering die het bestuur van de coöperatie benoemt. Ten tweede mag niet meer dan een derde van de bestuurders van de coöperatie, bv of de stichting een band hebben met of benoemd worden door een andere entiteit dan de coöperatie. Dit kan obstakels opwerpen voor constructies waarin een gemeente een deel van de bestuurders van de coöperatie73 en/of de stichting benoemt. Ten derde moet de eigendom van de hernieuwbare energie-installatie(s) in handen zijn van de energiegemeenschap en in ieder geval niet in handen zijn van de gemeente of een enkel lid van de coöperatie.74 Een door de leden van de energiegemeenschap gecontroleerde bv kan daarentegen wél eigenaar zijn. Dit leidt tot de noodzaak van extra juridische handelingen, zoals de vestiging van een opstalrecht, als de grond waarop de installatie(s) zich bevindt(en) in eigendom is (zijn) van de gemeente.

10. Nabijheid

Volgens richtlijn 2018/2001 moet de daadwerkelijke controle over een hernieuwbare energiegemeenschap berusten bij leden in de nabijheid van de betreffende hernieuwbare energie-installaties.75 De Energiewet past dit vereiste toe op energiegemeenschappen die een hernieuwbaar energieproject ontwikkelen.76 Terwijl lidstaten veel speelruimte hebben om ‘nabijheid’ nader te concretiseren,77 lijkt het erop dat het om een fysieke woon- of vestigingsplaats in de nabijheid van de installaties moet gaan.78 Dit criterium kan energieprojecten uitsluiten wier leden niet gebonden zijn aan een plaats, terwijl de leden hun samenwerking op gezamenlijke interesses baseren.79
Dit vereiste vormt voor de voorgestelde constructies op zich geen obstakel. Er moet wel gelet worden op de feitelijke samenstelling van de leden van de coöperatie en de bestuursleden. Een meerderheid in de ledenvergaderingen en besturen moet zijn gevestigd in de nabijheid van de hernieuwbare energie-installaties.

11. Conclusie

Deze bijdrage heeft laten zien dat combinaties van rechtspersonen de basis kunnen vormen voor een energiegemeenschap in de zin van EU-richtlijnen, de Energiewet en de toekomstige Wet collectieve warmte. De constructie als geheel moet worden getoetst aan de wettelijke eigenschappen van energiegemeenschappen, zonder dat rekening wordt gehouden met formele privaatrechtelijke grenzen tussen de betrokken rechtspersonen.
De EU- en Nederlandse wetgeving stellen een aantal harde eisen waaraan alle constructies moeten voldoen. De statuten moeten economische, milieu- of sociale gemeenschapsvoordelen opnemen als hoofddoel van de gemeenschap. Winst dient grotendeels te worden herinvesteerd, maar leden hebben wel recht op een bescheiden en gepast rendement. Openheid eist niet-arbitraire en niet-discriminatoire criteria voor de toelating van leden en aandeelhouders, met uitsluiting van de groepen entiteiten die volgens de richtlijnen geen lid of aandeelhouder mogen worden. Vrijwillige deelname houdt ook het recht in om de gemeenschap te verlaten, met een opzegtermijn van in principe maximaal één jaar.
De leden moeten de feitelijke zeggenschap hebben, met uitsluiting van energiebedrijven, andere ondernemingen van een bepaalde grootte en niet-lokale overheden. Concreet moeten de leden die feitelijke zeggenschap mogen hebben, 50%+1 stem hebben in de vergadering die het bestuur benoemt. Verder mag de meerderheid van de bestuurders geen band hebben met een entiteit die de feitelijke zeggenschap niet mag uitoefenen. Het vereiste van nabijheid is van toepassing op hernieuwbare energiegemeenschappen; in deze gevallen moet ervoor worden gezorgd dat de feitelijke zeggenschap bij de leden in de nabijheid van de hernieuwbare energie-installatie(s) berust. In combinaties van rechtspersonen kan het voorkomen dat de band tussen de burgers en/of lokale overheden aan de ene kant en het handelen van de energiegemeenschap aan de andere te ver verwijderd is. De bevoegdheden van de entiteiten waaraan burgers en/of lokale overheden kunnen deelnemen, zoals een coöperatie, moeten dan ook niet meer dan nodig worden uitgekleed.
Autonomie brengt met zich dat geen enkel lid, aandeelhouder of buitenstaander enige eigenaar is van de energie-installatie(s), meer dan een derde van de stemmen in de vergadering van de coöperatie heeft of meer dan een derde van de bestuurders benoemt. Dit stelt met name grenzen aan constructies waarbij gemeenten betrokken zijn en de controle naar zich toe willen trekken.

Binnen deze harde juridische grenzen hebben energiegemeenschappen de vrijheid om hun organisatie en activiteiten vorm te geven. Psychologische en socio-economische aspecten zullen de boventoon voeren bij de zoektocht naar de ideale energiegemeenschap in de lokale context.

  1. Zie bijvoorbeeld A.-L. Vernay, C. Sebi & F. Arroyo, ‘Energy community business models and their impact on the energy transition: Lessons learnt from France’, 175 Energy Policy 2023, 113473; V.J. Schwanitz, A. Wierling, H.A. Paudler, C. von Beck, S. Dufner, I. Knutsdotter Koren, T. Kraudzun, T. Marcroft, L. Mueller & J.P. Zeiß, ‘Statistical evidence for the contribution of citizen-led initiatives and projects to the energy transition in Europe’, Scientific Reports 2023, 13:1342; and F. Goedkoop & P. Devine-Wright, ‘Partnership or placation? The role of trust and justice in the shared ownership of renewable energy projects’, 17 Energy Research & Social Science 2016, 135-146, 135-137.
  2. Art. 95a lid 1 Elektriciteitswet 1998.
  3. Art. 16 richtlijn 2019/944 en art. 22 richtlijn 2018/2001.
  4. Deze eigenschappen zijn in het Nederlands reeds uiteengezet in: L. Diestelmeier, ‘‘Energiegemeenschappen’ – een decentrale oplossing voor de energietransitie?’, (3) Nederlands Tijdschrift voor Energierecht 2021, 106-115.
  5. Art. 2, nr. 11 richtlijn 2019/944 en art. 2, nr. 16 richtlijn 2018/2001.
  6. Art. 2, nr. 11 richtlijn 2019/944.
  7. Art. 2, nr. 16 richtlijn 2018/2001.
  8. Art. 22 lid 4 sub f richtlijn 2018/2001.
  9. Minimumharmonisatie door richtlijnen staat toe dat de lidstaten in lijn met het doel van de richtlijnen afwijken van de bepalingen van de richtlijnen. Zie over de richtlijnen betreffende energiegemeenschappen: Roberts 2021, voetnoot 43. Zie in het algemeen: B. Kurcz, ‘Harmonisation by means of Directives’, 12(11/12) European Business Law Review 2001, 287-307.
  10. Considerans 44 richtlijn 2019/944.
  11. Zie par. 9 voor een uiteenzetting van de inhoud van dit vereiste.
  12. L. Niglia, ‘Conforming Interpretation’, 30(4) European Review of Private Law 2022, 635-658.
  13. J. Roberts, ‘What Are Energy Communities Under the EU’s Clean Energy Package?’, in: F.H.J.M. Coenen & T. Hoppe (red.), Renewable Energy Communities and the Low Carbon Energy Transition in Europe, Cham: PalgraveMacMillan, 2021, p. 23-48, p. 29; richtlijn 2018/2001, ov. 71 en richtlijn 2019/944, ov. 44.
  14. M.M. Sokołowski, ‘Renewable Energy Communities in the Law of the EU, Australia, and New Zealand’, European Energy and Environmental Law Review 2019, 34-46, 37; M.M. Sokołowski, ‘Renewable and citizen energy communities in the European Union: how (not) to regulate community energy in national laws and policies’, 38(3) Journal of Energy & Natural Resources Law 2020, 289-304, 299.
  15. Kamerstukken TK 36 378, nr. 3, p. 227.
  16. A.H.G. Wilod Versprille, in: W. Burgerhart, W.D. Kolkman & L.C.A. Verstappen (red.), Handboek ondernemingsrecht 2021/2022, Zutphen: Walburg Pers, 2021, p. 936-963.
  17. A.H.G. Wilod Versprille, ‘Juridische organisatiestructuren voor aardgasvrije wijken’, in: W. Burgerhart e.a. (red.), Met grootse passen door het recht (AN nr. 183), Deventer: Kluwer, 2024, p. 467-477.
  18. Zie het ingevoegde art. 2.2 lid 1 sub d in Kamerstukken TK 36 576, nr. 5, Nota van Wijziging, onder C en D.
  19. Considerans 44, richtlijn 2019/944 en considerans 71, richtlijn 2018/2001.
  20. C. Eckes, ‘The autonomy of the EU legal order’, 4(1) Europe and the World: A law review 2020, 1-19.
  21. Art. 2:196 lid 1 BW.
  22. Kamerstukken TK 36 576, nr. 5, Nota van Wijziging, p. 15 e.v.
  23. Art. 2:228 BW.
  24. Art. 2:38 lid 1 jo. art. 2:53a BW.
  25. Vgl. art. 2:34 jo. art. 2:53a BW.
  26. Wilod Versprille 2024.
  27. Art. 2, nr. 11 richtlijn 2019/944 en art. 2, nr. 16 richtlijn 2018/2001.
  28. Roberts 2021, p. 30.
  29. Wilod Versprille 2024.
  30. Art. 2, nr. 11 en art. 16 lid 1 sub a richtlijn 2019/944 en art. 2, nr. 16 richtlijn 2018/2001.
  31. Roberts 2021, p. 32; J. Roberts, ‘Power to the people? Implications of the Clean Energy Package for the role of community ownership in Europe’s energy transition’, RECIEL 2020(29), 232-244, 237; en considerans 71 Directive (EU) 2018/2001.
  32. Ö. Yildiz, J. Rommel, S. Debor, L. Holstenkamp, F. Mey, J.R. Müller, J. Radtke & J. Rognli, ‘Renewable energy cooperatives as gatekeepers or facilitators? Recent developments in Germany and a multidisciplinary research agenda’, 6 Energy Research & Social Science 2015, 59-73, 68.
  33. Considerans 70, richtlijn 2018/2001; en considerans 43-44 richtlijn 2019/944.
  34. Sokołowski 2020, p. 298.
  35. Zie bijvoorbeeld N. Magnami & G. Osti, ‘Does civil society matter?’, 13 Energy Research & Social Science 2016, 148-157, 151-152; G. Seyfang, J.J. Park & A. Smith, ‘A thousand flowers blooming? An examination of community energy in the UK’, 61 Energy Policy 2013, 977-989, 986; E. Bomberg & N. McEwen, ‘Mobilizing community energy’, 51(C) Energy Policy 2012, 435-444, 442; G. Walker, P. Devine-Wright, S. Hunter, H. High & B. Evans, ‘Trust and community: Exploring the meanings, contexts and dynamics of community renewable energy’, 38(6) Energy Policy 2010, 2655-2663, 2655-2657.
  36. Considerans 44 en art. 2, nr. 11 richtlijn 2019/944.
  37. Art. 2, nr. 16 sub b en art. 22 lid 1 richtlijn 2018/2001. Vgl. Roberts 2021, p. 33-34.
  38. Art. 2.5 lid 2 Energiewet.
  39. J. Lowitzsch, ‘Consumer Stock Ownership Plans (CSOPs)—The Prototype Business Model for Renewable Energy Communities’, 13(1) Energies 2020, 118, 7.
  40. E. Creamer, W. Eadson, B. van Veelen, A. Pinker, M. Tingey, T. Braunholtz-Speight, M. Markantoni, M. Foden & M. Lacey-Barnacle, ‘Community energy: Entanglements of community, state, and private sector’, 12:e12378 Geography Compass 2018, 1-16, 6-8. Cf. M.J. Burke, ‘Energy Commons and Alternatives to Enclosures of Sunshine and Wind’, in: A.M. Feldpausch-Parker, D. Endres, T.R. Peterson & S.L. Gomez (eds), Routledge Handbook of Energy Democracy, Abingdon: Routledge, 2021, p. 200-214, p. 205-206; J.L. MacArthur & M.D. Tarhan, ‘Institutionalizing Energy Democracy’, in: A.M. Feldpausch-Parker, D. Endres, T.R. Peterson & S.L. Gomez (eds), Routledge Handbook of Energy Democracy, Abingdon: Routledge, 2021, p. 172-186, p. 180; S. Lenhart, G. Chan, M. Grimley & E. Wilson, ‘Comparing and Contrasting the Institutional Relationships, Regulatory Frameworks, and Energy System Governance of European and US Electric Cooperatives’, in: A.M. Feldpausch-Parker, D. Endres, T.R. Peterson & S.L. Gomez (eds), Routledge Handbook of Energy Democracy, Abingdon: Routledge, 2021, p. 34-50, p. 43.
  41. Art. 2, nr. 11 en art. 16 lid 1 sub a richtlijn 2019/944; en art. 2, No. 16 richtlijn 2018/2001.
  42. Sokołowski 2020, p. 298.
  43. Considerans 45 en art. 16 lid 1 sub b richtlijn 2019/944; en considerans 72 richtlijn 2018/2001. Dit houdt niet in de verbinding met een ander warmte- of elektriciteitsnet: Roberts 2021, p. 32-33.
  44. Roberts 2020, p. 237.
  45. Sokołowski 2020, p. 299; I. Hoffmann, ‘Erneuerbare- und Bürgerenergiegemeinschaften im EU-Winterpaket – who is who?’, EnWZ 2021, 299-305, 303.
  46. Art. 2.5 lid 1 sub b Energiewet.
  47. Art. 2:34 lid 1 jo. art. 2:53a lid 1 BW.
  48. Art. 2:35 lid 1 sub b, art. 2:36 lid 1 jo. art. 2:53a lid 1 BW.
  49. B. Hoops, ‘EU Directives on the internal governance of energy communities and their exclusionary effects’, 17(3) The Journal of World Energy Law & Business 2024, 147–167, 157-158.
  50. Art. 2, nr. 11 richtlijn 2019/944.
  51. Considerans 44 en art. 2, nr. 11 richtlijn 2019/944. Vgl. art. 2, nr. 7 richtlijn 2019/944.
  52. Art. 2.5 lid 1 sub c Energiewet.
  53. Art. 2, nr. 16 richtlijn 2018/2001.
  54. Vgl. par. 3.
  55. Considerans 44 richtlijn 2019/944.
  56. Art. 2, nr. 56 richtlijn 2019/944.
  57. Cf. MacArthur & Tarhan 2021, p. 181; en Burke 2021, p. 200 en 202-203.
  58. Lowitzsch 2020, p. 6. Vgl. J. Lowitzsch, ‘Investing in a Renewable Future – Renewable Energy Communities, Consumer (Co-)Ownership and Energy Sharing in the Clean Energy Package’, 9(2) Renewable Energy Law and Policy Review 2019, 14-36, 24.
  59. Art. 2:38 lid 1 jo. art. 2:53a lid 1 BW.
  60. MacArthur & Tarhan 2021, p. 178-181.
  61. A. Cahn & D.C. Donald, Comparative company law: text and cases on the laws governing corporations in Germany, the UK and the USA, Cambridge: CUP, 2018, p. 349-352; en B.R. Cheffins, Corporate Ownership and Control: British Business Transformed, Oxford: OUP, 2008, par. 1.I en 2.I.
  62. S. Becker, ‘The State or the Citizens for Energy Democracy?’, in: A.M. Feldpausch-Parker, D. Endres, T.R. Peterson & S.L. Gomez (eds), Routledge Handbook of Energy Democracy, Abingdon: Routledge, 2021, p. 158-171; en MacArthur and Tarhan 2021, p. 178 e.v.
  63. Art. 3 lid 2 sub c richtlijn 2009/38/EG.
  64. Art. 2, nr. 56 richtlijn 2019/944.
  65. Roberts 2021, p. 34-35.
  66. Considerans 43 richtlijn 2019/944 en considerans 71 richtlijn 2018/2001. Vgl. Burke 2021, p. 206.
  67. Art. 2:37 lid 1 jo. art. 2:53a lid 1 BW.
  68. Art. 2 nr. 16 sub a richtlijn 2018/2001.
  69. Considerans 71 richtlijn 2018/2001; M.M. Sokołowski, ‘Models of Energy Communities in Japan (Enekomi): Regulatory Solutions From the European Union (Rescoms and Citencoms)’, European Energy and Environmental Law Review 2021, 149-159, 154-155; en Roberts 2021, p. 37-38.
  70. Considerans 43-44 richtlijn 2019/944.
  71. Lowitzsch 2020, p. 6.
  72. Roberts 2021, p. 37-38.
  73. Vgl. art. 2:37 lid 3 jo. art. 2:53a lid 1 BW .
  74. Het is onduidelijk of art. 2, nr. 16 sub a van richtlijn 2018/2001 eist dat hernieuwbare energiegemeenschappen eigenaar zijn van hun installatie(s). Art. 2.5 van de Energiewet heeft een dergelijk vereiste niet opgenomen.
  75. Art. 2 nr. 16 richtlijn 2018/2001.
  76. Art. 2.5 lid 2 sub b Energiewet.
  77. Hoffmann 2021, p. 303.
  78. M.E. Biresselioglu, S.A. Limoncuoglu, M.H. Demir, J. Reichl, K. Burgstaller, A. Sciullo & E. Ferrero, ‘Legal Provisions and Market Conditions for Energy Communities in Austria, Germany, Greece, Italy, Spain, and Turkey: A Comparative Assessment’, Sustainability 2021, 13, 11212, 7-9; V. Brummer, ‘Community energy – benefits and barriers: A comparative literature review of Community Energy in the UK, Germany and the USA, the benefits it provides for society and the barriers it faces’, 94(C) Renewable and Sustainable Energy Reviews 2018, 187-196, 189; Yildiz e.a. 2015, p. 66-69; en J. Hicks & N. Ison, ‘An exploration of the boundaries of ‘community’ in community renewable energy projects: Navigating between motivations and context’, 113 Energy Policy 2018, 523-534, 524-527.
  79. S. Moroni & L. Tricarico, ‘Distributed energy production in a polycentric scenario: policy reforms and community management’, 61 Journal of Environmental Planning and Management 2018, 1973-1993, 1976-1977; en Lenhart e.a. 2021, p. 46.

Bron: Oorspronkelijk verschenen in WPNR (Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie), jaargang 156, nr. 7510. Zie ook de website van de KNB.

Inhoudsopgave :Eigenschappen energiegemeenschappen

Let op: tijdelijke wijziging openingstijden

Op dinsdag 18 november en donderdag 20 november is Olenz notarissen alleen geopend van 08.30 – 17.00 uur.

In verband met wegwerkzaamheden en de afsluiting van de Vendelier is er geen avondopenstelling.

Wij danken u voor uw begrip.

Olenz notarissen