HET EIGENWONINGSVERLEDEN: EEN (ON) OPLOSBAAR PROBLEEM?

Indien partners3 samen een woning in eigendom verkrijgen en één van de partners al een eigenwoningverleden heeft, is mogelijk sprake van nadelige fiscale gevolgen doordat een deel van de eigenwoninglening in Box 3 terechtkomt en de verschuldigde rente daardoor niet aftrekbaar is in Box 1.4 5 Hiervoor bestaan thans twee mogelijke oplossingen: het delen van elkaars eigenwoningverleden door toepassing van het besluit van de staatssecretaris van 30 januari 20186 of het aangaan van een draagplichtovereenkomst waarin de partners samen vaststellen in welke verhouding zij onderling intern draagplichtig zijn ten aanzien van de (hypothecaire)geldlening(en).

In dit artikel wordt het bovenstaande uiteengezet en wordt een suggestie aan de wetgever gedaan dit anders te regelen. Steeds wordt hierbij uitgegaan van een situatie waarin partners gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, een woning in eigendom verkrijgen en gezamenlijk, op basis van hoofdelijke aansprakelijkheid, de geldlening(en) aangaan.7

1. Huidige wettelijke regeling

Aan de hand van een voorbeeld zal ik de huidige wettelijke gevolgen illustreren indien één van beide partners een eigenwoningverleden heeft.8

Lucas heeft een eigen woning verkocht waarvoor hij reeds vijf jaar aftrek van eigenwoningrente heeft genoten. Op de eigen woning rustte een eigenwoningschuld (EWS) van € 200.000. Bij de verkoop is een eigenwoningreserve (EWR)9 van € 50.000 gerealiseerd. Emma heeft geen eigenwoningverleden.

Lucas en Emma zijn ongehuwd en niet geregistreerd partners en verkrijgen samen (50/50) een woning in eigendom tegen een koopprijs van € 500.000, door hen gefinancierd met een annuïteitenhypotheek van € 250.000, een aflossingsvrije hypotheek van € 200.000 en € 50.000 eigen vermogen (de EWR) van Lucas. Zij hebben beiden een aandeel van 50% in de hypothecaire geldleningen.

Voor Lucas is het overgangsrecht van toepassing10. Lucas heeft een bestaande eigenwoningschuld (BEWS) van € 200.000 waarvoor nog 25 jaar recht op renteaftrek bestaat en fiscaal de aflossingseis niet geldt.

Voor Emma geldt dat alleen renteaftrek kan worden verkregen indien haar schuld voldoet aan de sinds 2013 geldende aflossingseis. De geldlening dient ten minste annuïtair te zijn en in maximaal 360 maanden volledig te worden afgelost.

Lucas gebruikt zijn EWR van € 50.000 om een deel van de aankoop van de woning te financieren. Lucas financiert hierdoor voor een deel de aankoop van de eigen woning van Emma. Hierdoor ontstaat een vordering van € 25.000 van Lucas op Emma die voor Lucas een box 3-bezitting vormt en voor Emma een box 3-schuld. Schulden aan de partner kwalificeren niet als EWS en vallen derhalve niet in box 1.11

Samenvattend geldt voor Lucas dat:

  • zijn deel van de aankoopsom van de woning € 250.000 bedraagt;
  • zijn EWR van € 50.000 hierop in mindering komt, zodat hij voor de aankoop van deze woning nog € 200.000 EWS in Box 1 kan aangaan;
  • van zijn aandeel in de hypothecaire geldleningen van € 225.000 nog een bedrag van € 200.000 wordt aangemerkt als BEWS waarvoor hij nog 25 jaar recht heeft op renteaftrek;
  • van zijn aandeel in de hypothecaire geldleningen van € 225.000 een gedeelte van € 25.000 in box 3 valt (vanwege zijn EWR);
  • hij een vergoedingsvordering in box 3 heeft op Emma van € 25.000.

Voor Emma geldt dat:

  • haar deel van de aankoopsom van de woning € 250.000 bedraagt;
  • van haar aandeel in de hypothecaire geldleningen van € 225.000 slechts € 125.000 wordt aangemerkt als EWS. Het aflossingsvrije deel van € 100.000 voldoet niet aan de voor haar geldende aflossingseis en valt in box 3;
  • zij 30 jaar recht heeft op renteaftrek over haar aandeel in de annuïtaire geldlening van € 125.000;
  • zij een vergoedingsschuld in box 3 heeft aan Lucas van € 25.000.

De ongewenste gevolgen van het bovenstaande zijn:

  • door de toepassing van de bijleenregeling12 zullen de partners de EWR van één van hen volledig willen inzetten voor de financiering van de gezamenlijke woning. Zouden zij dit niet doen, dan zou een gedeelte van de lening ter grootte van het niet ingezette gedeelte van de EWR niet aftrekbaar zijn. Als gevolg van het bovenstaande wordt echter alsnog een deel van de schuld niet als EWS aangemerkt waardoor dat gedeelte van de schuld in Box 3 valt en de verschuldigde rente niet aftrekbaar is;
  • een onder het overgangsrecht vallende BEWS van één van de partners kan niet volledig worden voortgezet doordat de partner die niet onder het overgangsrecht valt, aan de aflossingseis13 moet voldoen.

2. Besluit staatssecretaris

2.1 Inhoud besluit

In verband met vorenstaande ongewenste situatie dat partners waarvan ten minste één voorafgaand aan de gezamenlijke aankoop van de eigen woning een eigenwoningverleden heeft, worden geconfronteerd met een niet-beoogde beperking van de renteaftrek, heeft de staatssecretaris maatregelen genomen in een besluit.

Goedgekeurd wordt dat het eigenwoningverleden van ieder van de partners bij helfte wordt verdeeld over beide partners om daarna de individuele EWS en het eigenwoningverleden te bepalen. De goedkeuring geldt met ingang van het belastingjaar 2013.14

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  1. De partners kopen de eigen woning aan in een 50%-50%-verhouding en gaan de schuld(en) voor financiering van de woning eveneens in die verhouding aan.
  2. Beide partners doen een beroep op deze goedkeuring door de EWR en de eigenwoningrente op deze manier in de aangifte(n) op te nemen.15
  3. Beide partners zijn akkoord met de volgende consequentie: toepassing van de goedkeuring door het zodanig opnemen van de EWR en de eigenwoningrente in de aangifte(n) geldt ook voor latere jaren. De verdeling bij helfte van het eigenwoningverleden van één of beide partners kan daardoor niet meer worden herzien of teruggedraaid in een later belastingjaar.

Dit heeft tot gevolg dat de niet gewenste uitkomsten worden voorkomen, maar betekent ook dat de toepassing van de goedkeuring leidt tot onherroepelijke overheveling van de helft van het eigenwoningverleden van de partners naar elkaar.

2.1 Gevolgen van de toepassing van het besluit

Toepassing van het besluit op bovenstaande casus heeft de navolgende consequenties.

Lucas en Emma doen een beroep op de goedkeuring waardoor het eigenwoningverleden van Lucas voor de helft overgaat op Emma. Het eigenwoningverleden van Lucas bestaat uit een EWR van € 50.000 en het recht op overgangsrecht voor € 200.000 waarvoor nog 25 jaar recht op renteaftrek bestaat.

Voor Lucas en Emma geldt dat:

  • Het gehele bedrag van ieders aandeel in de hypothecaire geldleningen van € 225.000 per persoon wordt aangemerkt als EWS. De EWR van zowel Lucas als Emma van ieder € 25.000 wordt volledig in mindering gebracht op de verwervingskosten van zowel Lucas als Emma van € 250.000
  • Van de geldlening van € 225.000 per persoon wordt € 100.000 aangemerkt als BEWS. Daarvoor hebben Lucas en Emma beiden recht op 25 jaar renteaftrek.
  • De resterende € 125.000 per persoon wordt aangemerkt als EWS en daarvoor geldt voor zowel Lucas als Emma een nieuwe termijn van 360 maanden aflossen en renteaftrek.

Lucas verliest € 100.000 overgangsrecht, maar raakt daardoor ook € 100.000 renteaftrekverleden kwijt en kan voor dat bedrag weer 360 maanden renteaftrek krijgen. Daarnaast halveert de EWR van Lucas tot € 25.000.

Emma krijgt een EWR van € 25.000 en een BEWS van € 100.000 waarvoor nog 25 jaar recht op renteaftrek bestaat, maar verliest € 100.000 EWS waarvoor nog 360 maanden recht op renteaftrek bestond maar waarvoor wel de aflossingseis zou gelden.

Als Lucas en Emma gezamenlijk een beroep doen op de goedkeuring van het besluit wordt de gehele gezamenlijke schuld van € 450.000 aangemerkt als EWS waarvoor de rente aftrekbaar is in box 1, terwijl op basis van de wet van de gezamenlijke schuld van € 450.000 slechts € 325.000 zou worden aangemerkt als EWS.

Toepassing van het besluit heeft derhalve als voordeel dat de gehele geldlening een EWS is en dat de rente betaald over de gehele geldlening aftrekbaar is in box 1.

De oplossing van de staatssecretaris leidt echter wel tot een deling van het eigenwoningverleden welke later niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Denkbaar is dat partners deze onherroepelijke deling van het eigenwoningverleden ongewenst vinden.

Daarnaast blijft de investering van Lucas van zijn EWR een investering van privégeld. Dit is immers de overwaarde die Lucas heeft gerealiseerd bij de verkoop van zijn woning. Ongeacht de fiscale gevolgen zoals deze hiervoor zijn geschetst houdt Lucas een vergoedingsvordering op Emma en Emma een vergoedingsschuld aan Lucas ter grootte van de helft van de door hem in de gezamenlijke woning geïnvesteerde EWR.

Deze vergoedingsvordering c.q. vergoedingsschuld valt voor beiden in Box 3. De vergoedingsschuld kwalificeert niet als een EWS.16

3. Draagplichtovereenkomst

3.1 Wijzigen interne draagplicht

Door het wijzigen van de interne draagplicht van de geldlening kan het mogelijk zijn de hiervoor geschetste negatieve gevolgen van ofwel het volgen van de wet ofwel van het besluit van de staatssecretaris weg te nemen.

De beide partners zijn en blijven ieder 100% aansprakelijk voor de gehele schuld. Zij zijn deze schuld immers samen aangegaan op basis van hoofdelijke aansprakelijkheid.

Ondanks deze hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen de partners echter in hun onderlinge verhouding een afwijkende draagplicht ten aanzien van de schuld overeenkomen.17

3.2 Uitwerking wijzigen interne draagplicht op de casus

Lucas en Emma kunnen overeenkomen dat de aflossingsvrije schuld van € 200.000 geheel gedragen wordt door Lucas en de annuïtaire schuld van € 250.000 geheel door Emma. Lucas brengt dan zijn gehele EWR in mindering op de eigendomsverkrijging van zijn helft van de woning en kan een aflossingsvrije lening van € 200.000 aangaan zonder aftrekbeperkingen. De helft van de woning van Emma wordt geheel gefinancierd met een annuïtaire geldlening welke voldoet aan de voor Emma geldende aflossingseis.

De gehele EWS valt dan in Box 1 en Lucas en Emma hebben over en weer geen vergoedingsvordering c.q. vergoedingsschuld die in Box 3 valt.

Bij een eventuele verkoop van de woning voor bijvoorbeeld € 600.000, zou ieder recht hebben op € 300.000. Lucas lost zijn aflossingsvrije schuld van € 200.000 af en houdt een EWR over van € 100.000.

Emma lost het restant van de annuïtaire schuld af – bijvoorbeeld € 210.000 – en houdt dan een EWR over van € 90.000.

Dit is geheel in lijn met ieders eigenwoningverleden.

3.3 De draagplichtovereenkomst

Deze afwijkende draagplicht kunnen de partners vastleggen in een draagplichtovereenkomst.18 Deze draagplichtovereenkomst kan als een losse overeenkomst onderhands of notarieel worden vastgelegd. Een andere mogelijkheid is de draagplichtovereenkomst te integreren in de samenlevingsovereenkomst, huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden.

Dat de belastingdienst akkoord is met het aangaan door de partners van een draagplichtovereenkomst blijkt uit:

  • een passage uit de inleiding van het besluit van de staatssecretaris: “In de bedoelde situaties hebben de partners geen afdoende afspraken gemaakt om die niet-gewenste uitkomsten te voorkomen. Dit betreft bijvoorbeeld afspraken waarbij bijvoorbeeld de woning in een afwijkende eigendomsverhouding wordt aangekocht door de partners of afspraken over de interne draagplicht van de schulden die zij gezamenlijk zijn aangegaan.”; en
  • de website van de Belastingdienst waar staat: “U kunt ook gezamenlijk een eigenwoningschuld aangaan, maar bijvoorbeeld over de onderlinge schuldverhouding afwijkende afspraken maken (interne draagplicht). Het is wel verstandig om dit schriftelijk vast te leggen. In dat geval kunnen u en uw partner voorkomen dat u beiden te maken krijgt met een beperking van de (hypotheek-) renteaftrek, en hoeft u niet gezamenlijk rekening te houden met de eigenwoningreserve.19

4. Praktische problemen

Beide oplossingen voor de geschetste wettelijke gevolgen zijn niet ideaal.

Bij toepassing van het besluit van de staatssecretaris vindt een onomkeerbare deling van het eigenwoningverleden plaats.

Bij de draagplichtovereenkomst zit een mogelijk probleem in de maandelijks verschuldigde annuïtaire bedragen en kan de soort lening die de partners aangaan nadelig uitpakken.

4.1 Soort lening

Stel bijvoorbeeld dat Lucas en Emma geen woning van € 500.000 kopen, maar een woning van € 400.000 die zij financieren met een annuïtaire hypothecaire geldlening van € 150.000, een aflossingsvrije hypothecaire geldlening van € 200.000 en de EWR van € 50.000 van Lucas.

Met een draagplichtovereenkomst kan dan niet gerealiseerd worden dat de gehele geldlening aftrekbaar is in Box 1.

Lucas en Emma kunnen afspreken dat van de hypothecaire geldlening van € 350.000 een gedeelte van € 150.000 in hun onderlinge verhouding wordt gedragen door Lucas en een gedeelte van € 200.000 door Emma. Lucas financiert zijn helft van de woning dan met € 50.000 EWR en € 150.000 geldlening. Emma financiert haar helft van de woning met € 200.000 geldlening. Dit is geheel in overeenstemming met hun situatie.

Het aandeel van Lucas in de woning bedraagt € 200.000. Hierop wordt zijn EWR van € 50.000 in mindering gebracht, zodat hij fiscaal aftrekbaar nog een geldlening kan aangaan van € 150.000. Door de draagplichtovereenkomst is Lucas ook draagplichtig voor € 150.000 en is zijn aandeel in de hypothecaire geldlening derhalve geheel fiscaal aftrekbaar.

Voor Emma geldt echter dat van haar aandeel in de hypothecaire geldlening van € 200.000 slechts € 150.000 fiscaal aftrekbaar kan zijn. Dit is de annuïtaire geldlening. Het gedeelte van € 50.000 van de aflossingsvrije lening valt voor haar in Box 3 doordat zij geen recht heeft op overgangsrecht.

De draagplichtovereenkomst pakt derhalve niet altijd goed uit.

4.2 Kosten van de huishouding

Bij een annuïtaire geldlening wordt maandelijks een vast bedrag betaald dat bestaat uit een deel aflossing en een deel rente. De samenstelling van het bedrag wisselt iedere maand. Het aandeel rente wordt steeds kleiner, terwijl het aandeel aflossing steeds groter wordt.

De overeenkomst ten aanzien van de interne draagplicht heeft logischerwijs in ieder geval betrekking op de periodieke aflossing. Degene die draagplichtig is voor een leningdeel, is tevens verantwoordelijk voor de voldoening van de aflossingen op dit leningdeel.

Partners kunnen echter verschillend aankijken tegen de vraag voor wiens rekening de maandelijks verschuldigde rente komt. Mogelijk wordt deze rente als kosten van de huishouding beschouwd, welke bijvoorbeeld naar evenredigheid van inkomen of ieder voor de helft worden voldaan. Doordat het aandeel rente en het aandeel aflossing maandelijks wisselt, is het dan lastig vast te stellen voor wiens rekening welk gedeelte van de maandelijkse kosten komt. Aan het einde van een kalenderjaar zou het door de hypotheekhouder te verstrekken overzicht hierbij uitkomst kunnen bieden. De ervaring leert echter dat weinigen eraan zullen denken dit daadwerkelijk te bekijken en de betalingen netjes glad te strijken. Voorstelbaarder is dat partners bij het eventuele einde van de relatie weer worden geconfronteerd met de door hen gemaakte afspraken en dan zullen moeten bekijken of de één nog een vergoedingsvordering op de ander heeft.20

Denkbaar is voorts dat degene die draagplichtig is voor een leningdeel onvoldoende inkomsten heeft om de hiermee verband houdende maandelijkse lasten te voldoen. De partners kunnen dan overeenkomen dat de aflossing op het leningdeel waarvoor de ene partner draagplichtig is, geheel of deels voor rekening komt van de andere partner. Dit zou kunnen leiden tot een vergoedingsvordering van de betalende partner op de niet (of minder) betalende partner, maar zou ook kunnen worden gezien als een schenking ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.21

5. Andere mogelijkheid?

Beide mogelijkheden kennen derhalve hun nadelen. Door toepassing van het besluit wordt het eigenwoningverleden onomkeerbaar gedeeld. Met de draagplichtovereenkomst wordt de interne draagplicht gewijzigd, maar dit pakt niet in alle situaties even goed uit.

Graag zou ik een suggestie aan de wetgever willen doen om het ontstane fiscale probleem op te lossen in fiscale wetgeving. Hiervoor zou aangesloten kunnen worden bij art. 2.17 Wet inkomstenbelasting 200122.

In dit artikel is geregeld dat inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in principe in aanmerking worden genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner ieder voor de helft op te komen (lid 3). De belastingplichtige en zijn partner kunnen op grond van lid 2 echter ieder jaar bij het doen van de aangifte kiezen in welke onderlinge verhouding gemeenschappelijke inkomensbestanddelen opkomen.

Partners die gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, een woning in eigendom verkrijgen en gezamenlijk hiervoor de financiering aangaan waarbij zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn, hebben in fiscaal opzicht ieder een schuld aan de hypotheekhouder van de helft van het geleende bedrag. In de aangifte inkomstenbelasting zou ieder derhalve de helft van het geleende bedrag in aanmerking dienen te nemen. Op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 kunnen de partners dit echter anders verdelen en er bijvoorbeeld voor kiezen de gehele geldlening in aanmerking te nemen bij de meestverdienende partner zodat de verschuldigde rente tegen het hoogst mogelijke tarief fiscaal aftrekbaar is.

Indien hier voor wat betreft het vorenstaande bij wordt aangesloten, kunnen partners er in hun inkomstenbelastingaangifte voor kiezen het eigenwoningverleden voor de helft bij de ene partner en voor de andere helft bij de andere partner in aanmerking te nemen.23 Gedurende de relatie kan de gehele verschuldigde hypotheekrente worden afgetrokken. Bij een eventueel einde van de relatie wordt echter teruggekeerd naar de uitgangssituatie.

Indien partners ervoor kiezen de gehele geldlening in aftrek te brengen bij de meest verdienende partner, betekent dit immers ook niet dat dit onomkeerbaar is en dat deze partner bij het einde van de relatie alleen aansprakelijk is voor de geldlening. Tijdens het fiscaal partnerschap kan zo voordelig mogelijk gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van hypotheekrenteaftrek. Na het eindigen van het fiscaal partnerschap, wordt de helft van de geldlening bij de ene partner en de andere helft van de geldlening bij de andere partner in aanmerking genomen.

Voor het eigenwoningverleden kan er ook voor worden gekozen dit tijdens het fiscaal partnerschap half/half in aanmerking te nemen en bij het einde van het fiscaal partnerschap weer in aanmerking te nemen bij de partner die het betreffende eigenwoningverleden heeft gerealiseerd. Het ongewenste gevolg van het besluit dat de deling van het eigenwoningverleden onomkeerbaar is, wordt hiermee weggenomen.24 25

Voor de eenvoud en overzichtelijkheid is het voorstelbaar dat een eenmaal gedane keuze aan het begin van het fiscaal partnerschap wel het gehele fiscaal partnerschap moet worden gevolgd.

Samenvatting en conclusie

Indien partners ieder voor de onverdeelde helft een woning in eigendom verkrijgen, de schuld(en) voor de financiering van deze woning eveneens in die verhouding aangaan en sprake is van een ongelijk eigenwoningverleden, dan is op grond van de wet een deel van de geldlening mogelijk niet fiscaal aftrekbaar. Dit ongewenste fiscale gevolg kan door de partners worden weggenomen door het toepassen van het besluit van de staatssecretaris van 30 januari 2018 of door het aangaan van een onderlinge draagplichtovereenkomst.

Beide opties hebben (mogelijke) nadelige gevolgen, waarbij het grootste bezwaar bij het besluit is dat de deling van het eigenwoningverleden onomkeerbaar is. In dit artikel wordt de suggestie gedaan aansluiting te zoeken bij art. 2.17 Wet IB waarmee deling van het eigenwoningverleden tijdens het fiscaal partnerschap mogelijk wordt gemaakt door dit in de jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting aan te geven, terwijl bij het einde van het fiscaal partnerschap de uitgangssituatie weer wordt hersteld.

1 Dit artikel is een bewerking van een eerder artikel van mijn hand dat is gepubliceerd in de juni editie van Estate Planner Digitaal.

2 mw. mr. L. Stokkel, toegevoegd notaris bij Olenz Notarissen te Veenendaal.

3 Samenwoners, gehuwden en geregistreerd partners, mits geen sprake is van boedelmenging.

4 Dit is gesignaleerd tijdens de behandeling van wetsvoorstel 33987 (het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken). In een brief van 14 april 2017 heeft de staatssecretaris antwoord gegeven op gestelde kamervragen over het eigenwoningverleden voor de inkomstenbelasting van partners die samen een woning in eigendom verkrijgen en zijn de nadelige fiscale gevolgen uitgewerkt in een voorbeeld.

5 Dezelfde nadelige gevolgen zijn aanwezig als de privéinvesteringen van de partners in de woning verschillen.

7 Afwijkende situaties kunnen zoals vermeld in het besluit worden voorgelegd aan de belastingdienst.

8 Ik verwijs hier ook nog naar mijn artikel in de juni editie van Estate Planner Digitaal.

9 De eigenwoningreserve (EWR) is alleen van toepassing bij de partner bij wie het is gevormd. Deze individuele toepassing geldt ook t.a.v. een eventueel bestaand aflossingsschema, een eventueel bestaande aflossingsstand bij één van de partners én voor de toepasbaarheid van het overgangsrecht op de nieuwe eigenwoninglening. Dit laatste geldt echter niet als na aflossing van een bestaande eigenwoningschuld boedelmenging heeft plaatsgevonden en tijdig een nieuwe woning in eigendom wordt verkregen (art. 10bis.1 lid 7 Wet IB 2001). Ten aanzien van het eigenwoningverleden van de partners vindt alleen in geval van boedelmenging bij gehuwden of geregistreerd partners een toerekening van het eigenwoningverleden aan beide partners plaats.

10 Doordat Lucas zijn woning voor 2013 heeft gekocht, heeft hij nog de mogelijkheid om een deel van de nieuwe woning aflossingsvrij te financieren. Mits hij tijdig – uiterlijk aan het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin hij zijn woning heeft verkocht – een nieuwe woning in eigendom verkrijgt. Art. 10bis.1 Wet IB 2001.

11 Art. 3:119a lid 6 onder c Wet IB 2001.

12 Alleen renteaftrek over maximaal de aankoopprijs van de nieuwe woning min de EWR.

13 De sinds 1 januari 2013 geldende aflossingseis houdt in dat recht op renteaftrek alleen bestaat als de EWS tenminste annuïtair in 30 jaar wordt afgelost. Art. 3.119a Wet IB 2001.

14 Staat een aanslag al onherroepelijk vast, dan kunnen de partners gezamenlijk een verzoek om ambtshalve vermindering op basis van het besluit doen als er minder dan vijf jaren zijn verstreken na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

15 Op de site van de belastingdienst staat vermeld hoe dit praktisch in zijn werk gaat. Lees verder

16 Art. 3:119a lid 6 onder c Wet IB 2001.

17 Art. 6:10 BW.

18 De draagplichtovereenkomst heeft geen invloed op de aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Zolang de partners fiscaal partners van elkaar zijn, kunnen zij samen kiezen hoe de hypotheekrenteaftrek wordt verdeeld.

20 Dit probleem zou kunnen worden ondervangen door geen annuïtaire geldlening aan te gaan, maar een lineaire geldlening. Bij een lineaire geldlening is het aflossingsbedrag gedurende de gehele looptijd gelijk. De maandelijks verschuldigde rente wordt steeds minder doordat de hoofdsom afneemt. De meeste mensen kiezen echter voor een annuïtaire geldlening omdat dit aan het begin van de looptijd lagere lasten met zich meebrengt.

21 Art. 6:3 BW jo. art. 33 onder 12 SW.

22 Wet inkomstenbelasting 2001 hierna: Wet IB 2001.

23 Door de EWR half/half te verdelen en de gehele hypotheekrente in aftrek te brengen.

24 Gedacht kan ook nog worden aan art. 3.119b lid 2 Wet IB 2001 (oud) op grond waarvan de eigenwoningreserve op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn gewezen partner aan elk van hen kon worden toegerekend naar de mate van de feitelijke gerechtigdheid tot het vervreemdingssaldo eigen woning.

25 Door de inbreng van (meer) eigen middelen door de ene partner blijft sprake van een onderlinge schuldverhouding tussen de partners, waarvoor een vergoedingsvordering van de ene partner op de andere partner ontstaat. Hetzelfde geldt voor het doen van ongelijke aflossingen op de hypothecaire geldlening.

Dit zou kunnen worden ondervangen door de terugkeer van art. 3.119b lid 2 Wet IB (oud), of een soortgelijke regeling. Indien partners hun EWR vrijelijk kunnen verdelen, kan recht worden gedaan aan de feitelijke situatie. Stel, tussen partners is sprake van een vergoedingsvordering casu quo schuld van € 25.000. De partners gaan uit elkaar, de woning wordt verkocht en er wordt een overwaarde gerealiseerd van € 100.000. Ieder krijgt € 50.000 overwaarde en daarmee ook € 50.000 EWR. De ene partner moet echter nog € 25.000 aan de andere partner betalen. Deze laatste partner heeft dan € 75.000 in contanten verkregen en maar een EWR van € 50.000, terwijl de betalende partner € 25.000 in contanten heeft verkregen en daartegenover een EWR van € 50.000. Met de toepassing van art. 3.119b lid 2 Wet IB 2001 (oud) zou de EWR zodanig verdeeld kunnen worden dat deze gelijk is aan ieders verkrijging in contanten uit de overwaarde van de woning.

No items found